Leeuwenbergh tuinen


Succesvolle ruilbeurs

Het was vanmiddag een komen en gaan van tuiniers voor het ruilen van planten en zaden. Er werd ook intensief ervaringen over zaaien, groeien en bloeien uitgewisseld. Kortom: dit proefde naar vaker en meer.

Een succes was ook het aanbod van Dorrepaal om een kar vol met planten en zaailingen te leveren om te verkopen. Het resulteerde – inclusief de ruime fooien van de tuiniers – in zo’n €50 voor Dorrepaal.


Vogels lokken – 14. de Gierzwaluw

Bericht van de Groencommissie (zie ook de pagina VOGELS LOKKEN)

Wie van vogels houdt, ziet ze graag ook in de tuin verschijnen. We lokken ze met voedsel, hangend of staand en op de juiste plek. Het is een leuke uitdaging om je tuin zo uitnodigend mogelijk te maken voor broedende vogels in de tuin.

Je tuin is aantrekkelijker voor vogels als je begroeiing in laagjes hebt. Dat wil zeggen afwisseling van hoge en lage planten en struiken. Ook hogere bomen in de omgeving zijn belangrijk.
Verder helpt het als je eetbaar groen in je tuin hebt staan. Denk aan struiken met bessen of bomen met vruchten.
Vogels zullen ook eerder in je tuin te vinden zijn als ze er nestmateriaal kunnen vinden zoals takjes, pluisjes en blaadjes. Nestjes zullen ze pas maken als er voldoende schuilplekken zijn bijvoorbeeld in doornstruiken of een heg. Wanneer je nestkastjes ophangt let er dan op dat er een rustplek is in de aanvliegroute en hang een nestkast niet in de volle zon.

En tot slot de Gierzwaluw

De gierzwaluw behoort tot een aparte vogelgroep want hij is niet verwant met echte zwaluwen. Hij is groter en heeft langere vleugels dan zwaluwen. Hij vliegt of met snelle vleugelslagen of in snelle glij- en zeilvluchten. Dit is anders dan bij zwaluwen. Zijn verenkleed is grotendeels zwart-bruin. Als juveniel heeft de gierzwaluw een licht voorhoofd en een lichte teugel. In de vlucht heeft de gierzwaluw een pijlvormig silhouet.
Met zijn 17 cm is de gierzwaluw groter dan de boerenzwaluw. De spanwijdte bedraagt 42 tot 48 cm.

Het geluid van de Gierzwaluw

Hij is oorspronkelijk bewoner van rotsachtige gebieden, maar in Europa grotendeels een cultuurvolger. Het is een algemeen en wijdverspreide broedvogel in steden en dorpen. Ze zijn in Europa ongeveer 3 maanden aanwezig om te broeden.

De gierzwaluw nestelt in rotsspleten en muurnissen of onder dakpannen van gebouwen. Gierzwaluwen plaatsen hun nesten in holtes in muren of dakpannen. Ze gebruiken ook door de mens vervaardigde nestkasten. Het nest is een kleine kom van gras, bladeren en veren die met speeksel is vastgeplakt.
Ze broeden in mei-augustus met 1 broedsel en leggen 2 of 3 witte eieren.

De gierzwaluw eet uitsluitend vliegende insecten en spinnen die met geopende bek al vliegend worden gevangen. De adult verzameld gedurende lange jachtvluchten voedsel met speeksel in de krop, wat in de vorm van een kleine bal aan de jongen wordt gevoerd. Bij een gebrek aan voedsel leggen ze zeer grote afstanden af. Hun nestjongen kunnen bij gebrek aan voedsel lange tijd schijndood zijn om energie te besparen.

Gierzwaluwen zijn zeer luidruchtig, vooral in rondvliegende groepen. Hij roept hoog, schril, gierend ‘srieer’. Vandaar de naam gierzwaluw.

Karakteristieke kenmerken
De gierzwaluw brengt bijna zijn hele leven vliegend door. Ze landen vrijwel nooit omdat eenmaal op de grond ze moeilijk weer in de lucht geraken. Zelfs slapen gebeurt in de lucht. Ze verkeren dan in een sluimertoestand en laten zich meevoeren door de wind.
Ook de paring gebeurt in de lucht, alleen voor het nesten landen ze. Na het nestelen is het voor hen niet meer nodig om te landen tot het volgende paringsseizoen in de lente.


Vogels lokken – 13. de Boomklever

Bericht van de Groencommissie (zie ook de pagina VOGELS LOKKEN)

Wie van vogels houdt, ziet ze graag ook in de tuin verschijnen. We lokken ze met voedsel, hangend of staand en op de juiste plek. Het is een leuke uitdaging om je tuin zo uitnodigend mogelijk te maken voor broedende vogels in de tuin.

Je tuin is aantrekkelijker voor vogels als je begroeiing in laagjes hebt. Dat wil zeggen afwisseling van hoge en lage planten en struiken. Ook hogere bomen in de omgeving zijn belangrijk.
Verder helpt het als je eetbaar groen in je tuin hebt staan. Denk aan struiken met bessen of bomen met vruchten.
Vogels zullen ook eerder in je tuin te vinden zijn als ze er nestmateriaal kunnen vinden zoals takjes, pluisjes en blaadjes. Nestjes zullen ze pas maken als er voldoende schuilplekken zijn bijvoorbeeld in doornstruiken of een heg. Wanneer je nestkastjes ophangt let er dan op dat er een rustplek is in de aanvliegroute en hang een nestkast niet in de volle zon.

De Boomklever is nu aan de beurt

De bovenkant en de kruin van de boomklevers zijn blauw-grijs, en hebben een lange zwarte oogstreep. Onderkant is oranje-achtig. Door zijn korte dikke nek heeft de boomklever een gedrongen bouw. Hij heeft een korte staart en een krachtige puntige snavel. Bij de mannetjes boomklever is de achterflank scherp begrensd kastanje-bruin, bij de vrouwtjes is het lichter bruin en zwakker begrensd.

De boomklever is een algemene broedvogel in loofbossen en gemengde bossen, bosschages, parken en grote tuinen. Ze komen voor in berggebieden tot 1700m. Het is een standvogel.

Ze nestelen in boomholen of nestkasten op een laagje fijne boomschors en droge bladeren. Als de vliegopeningen te groot zijn, dan worden deze met modder of leem aan de randen dichtgesmeerd en zo verkleind.
De boomklever heeft 1 broedsel in april-juni en legt 6 tot 9 roodgestippelde witte eieren.
In het voorjaar en de zomer worden er vooral insecten en spinnen gegeten, maar in het najaar en de winter eten ze noten en zaden en op voedertafels vet.

Hun contactroep is een fluitend, herhalend ‘hwiet’. Als de vogel opgewonden is, klinkt het als ‘twett’. In de zang is het fluitend ‘piuu piuu’ of ‘wuuieh wuuieh’ of een sneller, trillen ‘wiwiwi’.

Geluid van de Boomklever

Karakteristieke kenmerken
Zoals zijn naam al aangeeft klimt hij onvermoeibaar en schoksgewijs langs stammen en takken van bomen. Als enige Europese vogel klautert de boomklever met zijn kop naar beneden over boomstammen. Hij kan ook op de bodem hippen. Boomklevers jagen op spinnen en insecten, maar ze zijn ook te vinden bij voedertafels. Ze eten pinda’s, zonnebloempitten en zaden. Ook verzamelen ze hazelnoten en eikels. Hij drukt ze in gaten en hamert ze open met hun krachtige snavel. Het kloppend geluid dat hij daarbij maakt doet denken aan een specht.
Boomklevers trekken niet ver en komen alleen voor in tuinen nabij bossen, hoewel ze kunnen nestelen in tuinen met grote bomen. Ze bouwen hun nesten in natuurlijke holtes in oude bomen. Soms zijn ze zelfs te vinden in oude spechtennesten. Ze pleisteren de ingang dicht tot de juiste diameter. Dit om te voorkomen dat grotere vogels het nest innemen. Dat doen ze door een paar keer door het gat te gaan met natte modder. Ze nestelen ook in door de mens vervaardige nestkasten. Het vlieggat moet dan 32 mm in diameter zijn. Het is zelfs mogelijk het broedproces te volgen van deze vogel met een nestkast met camera. Daarmee kunt u eenvoudig alles volgen dat in de nestkast gebeurt.


Vogels lokken – 12. de Boomkruiper

Bericht van de Groencommissie (zie ook de pagina VOGELS LOKKEN)

Wie van vogels houdt, ziet ze graag ook in de tuin verschijnen. We lokken ze met voedsel, hangend of staand en op de juiste plek. Het is een leuke uitdaging om je tuin zo uitnodigend mogelijk te maken voor broedende vogels in de tuin.

Je tuin is aantrekkelijker voor vogels als je begroeiing in laagjes hebt. Dat wil zeggen afwisseling van hoge en lage planten en struiken. Ook hogere bomen in de omgeving zijn belangrijk.
Verder helpt het als je eetbaar groen in je tuin hebt staan. Denk aan struiken met bessen of bomen met vruchten.
Vogels zullen ook eerder in je tuin te vinden zijn als ze er nestmateriaal kunnen vinden zoals takjes, pluisjes en blaadjes. Nestjes zullen ze pas maken als er voldoende schuilplekken zijn bijvoorbeeld in doornstruiken of een heg. Wanneer je nestkastjes ophangt let er dan op dat er een rustplek is in de aanvliegroute en hang een nestkast niet in de volle zon.

Vandaag de Boomkruiper

De boomkruiper is een kleine muisachtige vogel. De bovendelen van een boomkruiper zijn mooi bruin gestreept en de onderzijde is witachtig. Boven het oog bevindt zich een lichte wenkbrauwstreep. Boomkruipers hebben een lange, fijne gebogen snavel. Het mannetje en het vrouwtje zien er hetzelfde uit.

Hoe klinkt de Boomkruiper?

De boomkruiper komt in een groot gebied in Europa en het noorden van Afrika en Turkije voor. Hij leeft in parkachtige gebieden met oude bomen en rijk opgaand loofbos. In steden is de soort te vinden bij hoge bomen.

Het vogeltje bouwt zijn nest in ondiepe holen en spleten in bomen. Om de boomkruiper aan nestruimte te helpen zijn er speciale nestkasten voor de boomkruiper in de handel. De nestkast voor de boomkruiper heeft de ingang aan de zijkant zodat hij de invliegopening gemakkelijk tegen komt bij het omhoog kruipen.

De boomkruiper heeft 1 а 2 broedsels per jaar, waarbij zo’n 5 tot 7 witte met bruin-roodachtige gespikkelde eieren per broedsel worden gelegd. De broedtijd duurt ongeveer 15-17 dagen waarna de jongen nog ruim twee weken gevoerd worden door de ouders. Ze eten insecten, die ze met de gekromde snavel tussen de boomschors vandaan peuteren.

De boomkruiper maakt een hoog en scherp, maar vaak onopvallend geluid: ‘tie tie tie’. Hij heeft een oplopende zang ‘tie tru-ie trie trie’.

Karakteristieke kenmerken
Zijn veren hebben de kleuren van een boomstam, waardoor hij goed gecamoufleerd is. De staart wordt als ondersteuning gebruikt tijdens het klimmen.
De boomkruiper gaat nooit op een stam naar beneden, altijd omhoog! Dit in tegenstelling tot de boomklever die zowel naar boven als naar beneden kan.


Vogels Lokken – 11. de Spreeuw

Bericht van de Groencommissie (zie ook de pagina VOGELS LOKKEN)

Wie van vogels houdt, ziet ze graag ook in de tuin verschijnen. We lokken ze met voedsel, hangend of staand en op de juiste plek. Het is een leuke uitdaging om je tuin zo uitnodigend mogelijk te maken voor broedende vogels in de tuin.

Je tuin is aantrekkelijker voor vogels als je begroeiing in laagjes hebt. Dat wil zeggen afwisseling van hoge en lage planten en struiken. Ook hogere bomen in de omgeving zijn belangrijk.
Verder helpt het als je eetbaar groen in je tuin hebt staan. Denk aan struiken met bessen of bomen met vruchten.
Vogels zullen ook eerder in je tuin te vinden zijn als ze er nestmateriaal kunnen vinden zoals takjes, pluisjes en blaadjes. Nestjes zullen ze pas maken als er voldoende schuilplekken zijn bijvoorbeeld in doornstruiken of een heg. Wanneer je nestkastjes ophangt let er dan op dat er een rustplek is in de aanvliegroute en hang een nestkast niet in de volle zon.

En dan nu de Spreeuw

De spreeuw heeft een verenkleed dat zwart oogt, daaroverheen heeft hij een prachtige groene en paarse gloed. In de winter heeft de spreeuw witte spikkels. Je ziet spreeuwen vaak in grote zwermen. De spreeuw is met zijn lengte van 21 cm en spanwijdte van 37-42 cm iets kleiner dan de merel.

Welk geluid maakt de spreeuw?

De spreeuw is overal te vinden waar geschikte holtes aanwezig zijn, zowel in oud loofbos als in steden in Europa. De spreeuw is een holenbroeder en maakt gebruik van oude nesten of een nestkast. Hij maakt een ovaal basisnest van takjes, stro en hooi.
De spreeuw heeft 1 legsel van vijf tot zes blauwige eitjes zo tegen half april.
Spreeuwen eten alles, maar halen voor de jongen vooral insecten.

De zang van de spreeuw een aaneengeschakeld geheel van klikkende, rollende en slissende geluiden, onderbroken door een hard, in toon dalend gefluit, zo ongeveer als kinderen doen wanneer ze het geluid van langssuizende kogels nabootsen. Spreeuwen kunnen bovendien fenomenaal andere vogels imiteren. Maar het blijft niet beperkt tot de zang van andere vogels, maar ook sirenes, autoalarmen, computerspelletjes, wekkers, geplons en gekwaak van kikkers, kan hij feilloos nadoen.

Karakteristieke kenmerken
Je ziet spreeuwen vaak in grote zwermen. Deze groepsvorming gebeurt stapje voor stapje, iedere dag sluiten er steeds een paar spreeuwen zich bij de groep aan. Dat leidt ten slotte in augustus tot de bekende spreeuwenwolken en de slaapplaatsen van soms wel tienduizenden vogels.
Waarom spreeuwen zo massaal overnachten, daar zijn ornithologen het nog steeds niet over eens. Want veilig voor roofvogels zijn ze zo niet echt, zo’n knetterhard gekwetter trekt al van verre de aandacht. Wel is de kans dat een spreeuw in de groep wordt gegrepen kleiner omdat de roofvogel moeite heeft met kiezen. Vooral onervaren rovers hebben daar moeite mee. De theorie van de Britse biologe Wynne-Edwards is dat spreeuwen willen zien met hoeveel ze zijn, met het oog op de beschikbare hoeveelheid voedsel in de omtrek.


Vogels lokken – 10. de Merel

Bericht van de Groencommissie (zie ook de pagina VOGELS LOKKEN)

Wie van vogels houdt, ziet ze graag ook in de tuin verschijnen. We lokken ze met voedsel, hangend of staand en op de juiste plek. Het is een leuke uitdaging om je tuin zo uitnodigend mogelijk te maken voor broedende vogels in de tuin.

Je tuin is aantrekkelijker voor vogels als je begroeiing in laagjes hebt. Dat wil zeggen afwisseling van hoge en lage planten en struiken. Ook hogere bomen in de omgeving zijn belangrijk.
Verder helpt het als je eetbaar groen in je tuin hebt staan. Denk aan struiken met bessen of bomen met vruchten.
Vogels zullen ook eerder in je tuin te vinden zijn als ze er nestmateriaal kunnen vinden zoals takjes, pluisjes en blaadjes. Nestjes zullen ze pas maken als er voldoende schuilplekken zijn bijvoorbeeld in doornstruiken of een heg. Wanneer je nestkastjes ophangt let er dan op dat er een rustplek is in de aanvliegroute en hang een nestkast niet in de volle zon.

Deze keer de Merel

De volwassen mannelijke merel heeft een zwart verenkleed, een gele snavel en een oogring. Het vrouwtje is donkerbruin en haar keel en borst zijn iets lichter. Het juveniel lijkt op het vrouwtje maar heeft veel vlekken op het lichaam en vleugeldekveren. Een merel is ca. 25 cm lang en heeft een spanwijdte van 38 cm.

De merel komt vooral voor in bossen, parken, en tuinen.
Hij nestelt zich in bomen, bosjes en heggen. In steden en dorpen wordt er vaak genesteld op allerlei kunstmatige plekken. De merel broedt van maart tot augustus met 2 а 3 broedsels. Per legsel 3 tot 4 bruingevlekte, groenblauwe eieren.

In het voorjaar en zomer eet de merel regenwormen, slakken, insecten en vanaf de late zomer worden er ook bessen en vlezige vruchten gegeten.

De merel kent vele verschillende roepen. De contactroep is een fijn, rollende ‘srrieh’. Bij opwinding is er een diepe ‘dack’. De alarmroep is een gedempte ‘djoek’ of een hardere ‘dack dack dack’, langer overslaand ‘taktak derriegie doek-doek’ of luidschreeuwend ‘tieks tieks tieks’. Zijn zang is welluidend, een melancholisch fluiten, welke relatief langzaam is met veel verspringende tonen. In de vroege ochtend kun je hem vaak horen als hij op een hoog punt voluit zit te zingen.

Hoe de Merel zingt

Karakteristieke kenmerken
De merel komt van nature voor in heel Europa en grote delen van Azië. IJsland is het enige Europese land waar ze zeldzaam zijn. De merel is ook uitgezet in Australie en Nieuw-Zeeland, daar wordt hij inmiddels gezien als een plaag. Ze leven op alle mogelijke plaatsen; van bergwouden, alle mogelijke bossen met rottende bladeren op de grond, tuinen, parken of boerenland met grote heggen. Ze hebben zich ook uitzonderlijk goed aangepast aan het moderne stadsleven. Ze behoren tot de talrijkste bezoekers van tuinen en voederhuisjes. Ze kunnen het hele jaar door in tuinen en grasvelden gesignaleerd worden. Afgezien van de noordelijke populaties zijn merels meestal geen trekvogels. Ze vormen geen groepen zoals bijvoorbeeld spreeuwen dat doen. Oorspronkelijk zijn het bosvogels en aan het einde van de 19e eeuw waren ze bijna uitgestorven. Ze hebben zich echter ontwikkeld tot een cultuurvolger en komen.


Vogels lokken – 9. de Turkse Tortel

Bericht van de Groencommissie (zie ook de pagina VOGELS LOKKEN)

Wie van vogels houdt, ziet ze graag ook in de tuin verschijnen. We lokken ze met voedsel, hangend of staand en op de juiste plek. Het is een leuke uitdaging om je tuin zo uitnodigend mogelijk te maken voor broedende vogels in de tuin.

Je tuin is aantrekkelijker voor vogels als je begroeiing in laagjes hebt. Dat wil zeggen afwisseling van hoge en lage planten en struiken. Ook hogere bomen in de omgeving zijn belangrijk.
Verder helpt het als je eetbaar groen in je tuin hebt staan. Denk aan struiken met bessen of bomen met vruchten.
Vogels zullen ook eerder in je tuin te vinden zijn als ze er nestmateriaal kunnen vinden zoals takjes, pluisjes en blaadjes. Nestjes zullen ze pas maken als er voldoende schuilplekken zijn bijvoorbeeld in doornstruiken of een heg. Wanneer je nestkastjes ophangt let er dan op dat er een rustplek is in de aanvliegroute en hang een nestkast niet in de volle zon.

Deze week de Turkse Tortel

Het geluid van de Turkse Tortel.

De Turkse tortel is een slanke duif met een lange staart. Hij is met zijn 31 cm slanker en lichter dan de stadsduif. Zijn lichaam en bovenzijde licht beigebruin. De adult heeft een smalle halsring, welke bij het juveniel ontbreekt.

De Turkse tortel is een algemene broedvogel in steden, dorpen, parken en tuinen. Het is een stand- en zwerfvogel. In de winter is de hij op allerlei plaatsen met voldoende voedselaanbod, soms in grote groepen.

Het nest is een schamel platform van kleine takjes, meestal in bomen, minder vaak op gebouwen. De Turkse tortel broedt in maart-april met 2 а 4 broedsels. 2 witte eieren per broedsel.

De Turkse tortel eet zaden, bessen en groene plantendelen; maar ook cultuurgewassen, diervoer en voedselafval.

In vlucht maakt de Turkse tortel een mechanisch, fluitend vleugelgeruis. Hij roept vaak voor de landing nasaal ‘mииh’. Zijn zang is een drielettergrepig ‘koe-koe-koe’ met een klemtoon op de tweede lettergreep.

Karakteristieke kenmerken
Tegenwoordig is de Turkse tortel na de stadsduif de meest algemene duif in dorpen en steden. Zestig jaar geleden verspreidde hij zich vanuit zijn woongebied in Zuidoost-Europa. Deze tamme en zachtaardige vogel bereikte ons land in 1947 en komt nu bijna in heel Europa voor. De Turkse tortel woont graag in steden en dorpen, rondom boerderijen waar hij volop voedsel kan vinden. Meelfabrieken zijn ook erg in trek.
Tijdens de broedtijd kunnen ze agressief zijn, ze doen alles om hun jong te beschermen. De ouders jagen vlaamse gaaien, eksters en zelfs mensen weg bij het nest. Doordat Turkse tortels tot wel 5 broedsels per jaar groot kunnen brengen, heeft de uitbreiding van deze hoogproductieve broeder zich snel voltrokken. De jongen uit het eerste legsel doen een paar maanden later zelf al weer mee aan het voortplanting. Er zijn weinig of geen vogels die zich zo snel kunnen vermenigvuldigen.


Vogels lokken – 8. de Groenling

Bericht van de Groencommissie (zie ook de pagina VOGELS LOKKEN)

Wie van vogels houdt, ziet ze graag ook in de tuin verschijnen. We lokken ze met voedsel, hangend of staand en op de juiste plek. Het is een leuke uitdaging om je tuin zo uitnodigend mogelijk te maken voor broedende vogels in de tuin.

Je tuin is aantrekkelijker voor vogels als je begroeiing in laagjes hebt. Dat wil zeggen afwisseling van hoge en lage planten en struiken. Ook hogere bomen in de omgeving zijn belangrijk.
Verder helpt het als je eetbaar groen in je tuin hebt staan. Denk aan struiken met bessen of bomen met vruchten.
Vogels zullen ook eerder in je tuin te vinden zijn als ze er nestmateriaal kunnen vinden zoals takjes, pluisjes en blaadjes. Nestjes zullen ze pas maken als er voldoende schuilplekken zijn bijvoorbeeld in doornstruiken of een heg. Wanneer je nestkastjes ophangt let er dan op dat er een rustplek is in de aanvliegroute en hang een nestkast niet in de volle zon.

Deze dag de Groenling

Hoe zingt de Groenling?

De groenling is ongeveer even groot als de huismus. Hij heeft een dikke kop met hoge, lichte kegelsnavel. Hij heeft een gele tot geelgroene vleugelrand (handpenranden), samen met zijn gele staartzijde erg opvallend tijdens het vliegen. Het mannetje is overwegend geel-groen, en het vrouwtje is onopvallender bruiner. Het juveniel is op de boven- en onderzijde gestreept.

De Groenling is een zeer talrijke en wijdverspreide broedvogel van bosranden, bosschage, parken, boomgaarden en tuinen. Hij is ook te vinden in dorpen en buitenwijken.
Hij maakt een los nest in bomen en struiken en in een bebouwde omgeving ook vaak in klimplanten tegen een huismuur.
Tussen april en augustus hebben ze 2 tot 3 broedsels en per legsel 4 tot 6 roodgestippelde, witte eieren.

De groenling is een zaadeter, hij eet knoppen, bloesems en bloemen, zaden (zonnebloempitten), rozenbottels en bessen.
Hij roept kort ‘ghuuk’ of ‘ghuup’. Dit is vaak snel herhaald als bijna trillend ‘ghuukghuukghuuk’. Ook maakt hij een meer fluitend, stijgende ‘djuuie’. Zijn zang is een mengsel van kwetterende tonen en een kenmerkend ‘dzwииh’, dit is vaak in een vleermuisachtige zangvlucht. De bedelroep van jongeren is een herhaald ‘djiel djiel djiel’.
 

Karakteristieke kenmerken
Het is de grootste geel-groene vink. Van oorsprong is hij een schuwe vogel, inmiddels heeft hij zich goed aangepast aan het leven in tuinen. Het is dan ook een regelmatige tuingast en is veelal te vinden op voederstations die pinda’s en zonnepitten in de aanbieding hebben. Groenlingen zijn meestal te vinden in groepen, ze nestelen in kleine kolonies van ongeveer 6 paren.
Waar grote troepen groenlingen zich ophouden, zijn de aangeboden zaden in een mum van tijd opgegeten. Ze zijn vrijwel geheel afhankelijk van zaden. Ze eten zelfs restjes op de grond die andere vogels hebben laten vallen. Tijdens het broedseizoen staan er wel eens insecten op het menu.