Leeuwenbergh tuinen


Vogels Lokken – 11. de Spreeuw

Bericht van de Groencommissie (zie ook de pagina VOGELS LOKKEN)

Wie van vogels houdt, ziet ze graag ook in de tuin verschijnen. We lokken ze met voedsel, hangend of staand en op de juiste plek. Het is een leuke uitdaging om je tuin zo uitnodigend mogelijk te maken voor broedende vogels in de tuin.

Je tuin is aantrekkelijker voor vogels als je begroeiing in laagjes hebt. Dat wil zeggen afwisseling van hoge en lage planten en struiken. Ook hogere bomen in de omgeving zijn belangrijk.
Verder helpt het als je eetbaar groen in je tuin hebt staan. Denk aan struiken met bessen of bomen met vruchten.
Vogels zullen ook eerder in je tuin te vinden zijn als ze er nestmateriaal kunnen vinden zoals takjes, pluisjes en blaadjes. Nestjes zullen ze pas maken als er voldoende schuilplekken zijn bijvoorbeeld in doornstruiken of een heg. Wanneer je nestkastjes ophangt let er dan op dat er een rustplek is in de aanvliegroute en hang een nestkast niet in de volle zon.

En dan nu de Spreeuw

De spreeuw heeft een verenkleed dat zwart oogt, daaroverheen heeft hij een prachtige groene en paarse gloed. In de winter heeft de spreeuw witte spikkels. Je ziet spreeuwen vaak in grote zwermen. De spreeuw is met zijn lengte van 21 cm en spanwijdte van 37-42 cm iets kleiner dan de merel.

Welk geluid maakt de spreeuw?

De spreeuw is overal te vinden waar geschikte holtes aanwezig zijn, zowel in oud loofbos als in steden in Europa. De spreeuw is een holenbroeder en maakt gebruik van oude nesten of een nestkast. Hij maakt een ovaal basisnest van takjes, stro en hooi.
De spreeuw heeft 1 legsel van vijf tot zes blauwige eitjes zo tegen half april.
Spreeuwen eten alles, maar halen voor de jongen vooral insecten.

De zang van de spreeuw een aaneengeschakeld geheel van klikkende, rollende en slissende geluiden, onderbroken door een hard, in toon dalend gefluit, zo ongeveer als kinderen doen wanneer ze het geluid van langssuizende kogels nabootsen. Spreeuwen kunnen bovendien fenomenaal andere vogels imiteren. Maar het blijft niet beperkt tot de zang van andere vogels, maar ook sirenes, autoalarmen, computerspelletjes, wekkers, geplons en gekwaak van kikkers, kan hij feilloos nadoen.

Karakteristieke kenmerken
Je ziet spreeuwen vaak in grote zwermen. Deze groepsvorming gebeurt stapje voor stapje, iedere dag sluiten er steeds een paar spreeuwen zich bij de groep aan. Dat leidt ten slotte in augustus tot de bekende spreeuwenwolken en de slaapplaatsen van soms wel tienduizenden vogels.
Waarom spreeuwen zo massaal overnachten, daar zijn ornithologen het nog steeds niet over eens. Want veilig voor roofvogels zijn ze zo niet echt, zo’n knetterhard gekwetter trekt al van verre de aandacht. Wel is de kans dat een spreeuw in de groep wordt gegrepen kleiner omdat de roofvogel moeite heeft met kiezen. Vooral onervaren rovers hebben daar moeite mee. De theorie van de Britse biologe Wynne-Edwards is dat spreeuwen willen zien met hoeveel ze zijn, met het oog op de beschikbare hoeveelheid voedsel in de omtrek.


Vogels lokken – 10. de Merel

Bericht van de Groencommissie (zie ook de pagina VOGELS LOKKEN)

Wie van vogels houdt, ziet ze graag ook in de tuin verschijnen. We lokken ze met voedsel, hangend of staand en op de juiste plek. Het is een leuke uitdaging om je tuin zo uitnodigend mogelijk te maken voor broedende vogels in de tuin.

Je tuin is aantrekkelijker voor vogels als je begroeiing in laagjes hebt. Dat wil zeggen afwisseling van hoge en lage planten en struiken. Ook hogere bomen in de omgeving zijn belangrijk.
Verder helpt het als je eetbaar groen in je tuin hebt staan. Denk aan struiken met bessen of bomen met vruchten.
Vogels zullen ook eerder in je tuin te vinden zijn als ze er nestmateriaal kunnen vinden zoals takjes, pluisjes en blaadjes. Nestjes zullen ze pas maken als er voldoende schuilplekken zijn bijvoorbeeld in doornstruiken of een heg. Wanneer je nestkastjes ophangt let er dan op dat er een rustplek is in de aanvliegroute en hang een nestkast niet in de volle zon.

Deze keer de Merel

De volwassen mannelijke merel heeft een zwart verenkleed, een gele snavel en een oogring. Het vrouwtje is donkerbruin en haar keel en borst zijn iets lichter. Het juveniel lijkt op het vrouwtje maar heeft veel vlekken op het lichaam en vleugeldekveren. Een merel is ca. 25 cm lang en heeft een spanwijdte van 38 cm.

De merel komt vooral voor in bossen, parken, en tuinen.
Hij nestelt zich in bomen, bosjes en heggen. In steden en dorpen wordt er vaak genesteld op allerlei kunstmatige plekken. De merel broedt van maart tot augustus met 2 а 3 broedsels. Per legsel 3 tot 4 bruingevlekte, groenblauwe eieren.

In het voorjaar en zomer eet de merel regenwormen, slakken, insecten en vanaf de late zomer worden er ook bessen en vlezige vruchten gegeten.

De merel kent vele verschillende roepen. De contactroep is een fijn, rollende ‘srrieh’. Bij opwinding is er een diepe ‘dack’. De alarmroep is een gedempte ‘djoek’ of een hardere ‘dack dack dack’, langer overslaand ‘taktak derriegie doek-doek’ of luidschreeuwend ‘tieks tieks tieks’. Zijn zang is welluidend, een melancholisch fluiten, welke relatief langzaam is met veel verspringende tonen. In de vroege ochtend kun je hem vaak horen als hij op een hoog punt voluit zit te zingen.

Hoe de Merel zingt

Karakteristieke kenmerken
De merel komt van nature voor in heel Europa en grote delen van Azië. IJsland is het enige Europese land waar ze zeldzaam zijn. De merel is ook uitgezet in Australie en Nieuw-Zeeland, daar wordt hij inmiddels gezien als een plaag. Ze leven op alle mogelijke plaatsen; van bergwouden, alle mogelijke bossen met rottende bladeren op de grond, tuinen, parken of boerenland met grote heggen. Ze hebben zich ook uitzonderlijk goed aangepast aan het moderne stadsleven. Ze behoren tot de talrijkste bezoekers van tuinen en voederhuisjes. Ze kunnen het hele jaar door in tuinen en grasvelden gesignaleerd worden. Afgezien van de noordelijke populaties zijn merels meestal geen trekvogels. Ze vormen geen groepen zoals bijvoorbeeld spreeuwen dat doen. Oorspronkelijk zijn het bosvogels en aan het einde van de 19e eeuw waren ze bijna uitgestorven. Ze hebben zich echter ontwikkeld tot een cultuurvolger en komen.


Vogels lokken – 9. de Turkse Tortel

Bericht van de Groencommissie (zie ook de pagina VOGELS LOKKEN)

Wie van vogels houdt, ziet ze graag ook in de tuin verschijnen. We lokken ze met voedsel, hangend of staand en op de juiste plek. Het is een leuke uitdaging om je tuin zo uitnodigend mogelijk te maken voor broedende vogels in de tuin.

Je tuin is aantrekkelijker voor vogels als je begroeiing in laagjes hebt. Dat wil zeggen afwisseling van hoge en lage planten en struiken. Ook hogere bomen in de omgeving zijn belangrijk.
Verder helpt het als je eetbaar groen in je tuin hebt staan. Denk aan struiken met bessen of bomen met vruchten.
Vogels zullen ook eerder in je tuin te vinden zijn als ze er nestmateriaal kunnen vinden zoals takjes, pluisjes en blaadjes. Nestjes zullen ze pas maken als er voldoende schuilplekken zijn bijvoorbeeld in doornstruiken of een heg. Wanneer je nestkastjes ophangt let er dan op dat er een rustplek is in de aanvliegroute en hang een nestkast niet in de volle zon.

Deze week de Turkse Tortel

Het geluid van de Turkse Tortel.

De Turkse tortel is een slanke duif met een lange staart. Hij is met zijn 31 cm slanker en lichter dan de stadsduif. Zijn lichaam en bovenzijde licht beigebruin. De adult heeft een smalle halsring, welke bij het juveniel ontbreekt.

De Turkse tortel is een algemene broedvogel in steden, dorpen, parken en tuinen. Het is een stand- en zwerfvogel. In de winter is de hij op allerlei plaatsen met voldoende voedselaanbod, soms in grote groepen.

Het nest is een schamel platform van kleine takjes, meestal in bomen, minder vaak op gebouwen. De Turkse tortel broedt in maart-april met 2 а 4 broedsels. 2 witte eieren per broedsel.

De Turkse tortel eet zaden, bessen en groene plantendelen; maar ook cultuurgewassen, diervoer en voedselafval.

In vlucht maakt de Turkse tortel een mechanisch, fluitend vleugelgeruis. Hij roept vaak voor de landing nasaal ‘mииh’. Zijn zang is een drielettergrepig ‘koe-koe-koe’ met een klemtoon op de tweede lettergreep.

Karakteristieke kenmerken
Tegenwoordig is de Turkse tortel na de stadsduif de meest algemene duif in dorpen en steden. Zestig jaar geleden verspreidde hij zich vanuit zijn woongebied in Zuidoost-Europa. Deze tamme en zachtaardige vogel bereikte ons land in 1947 en komt nu bijna in heel Europa voor. De Turkse tortel woont graag in steden en dorpen, rondom boerderijen waar hij volop voedsel kan vinden. Meelfabrieken zijn ook erg in trek.
Tijdens de broedtijd kunnen ze agressief zijn, ze doen alles om hun jong te beschermen. De ouders jagen vlaamse gaaien, eksters en zelfs mensen weg bij het nest. Doordat Turkse tortels tot wel 5 broedsels per jaar groot kunnen brengen, heeft de uitbreiding van deze hoogproductieve broeder zich snel voltrokken. De jongen uit het eerste legsel doen een paar maanden later zelf al weer mee aan het voortplanting. Er zijn weinig of geen vogels die zich zo snel kunnen vermenigvuldigen.


Vogels lokken – 8. de Groenling

Bericht van de Groencommissie (zie ook de pagina VOGELS LOKKEN)

Wie van vogels houdt, ziet ze graag ook in de tuin verschijnen. We lokken ze met voedsel, hangend of staand en op de juiste plek. Het is een leuke uitdaging om je tuin zo uitnodigend mogelijk te maken voor broedende vogels in de tuin.

Je tuin is aantrekkelijker voor vogels als je begroeiing in laagjes hebt. Dat wil zeggen afwisseling van hoge en lage planten en struiken. Ook hogere bomen in de omgeving zijn belangrijk.
Verder helpt het als je eetbaar groen in je tuin hebt staan. Denk aan struiken met bessen of bomen met vruchten.
Vogels zullen ook eerder in je tuin te vinden zijn als ze er nestmateriaal kunnen vinden zoals takjes, pluisjes en blaadjes. Nestjes zullen ze pas maken als er voldoende schuilplekken zijn bijvoorbeeld in doornstruiken of een heg. Wanneer je nestkastjes ophangt let er dan op dat er een rustplek is in de aanvliegroute en hang een nestkast niet in de volle zon.

Deze dag de Groenling

Hoe zingt de Groenling?

De groenling is ongeveer even groot als de huismus. Hij heeft een dikke kop met hoge, lichte kegelsnavel. Hij heeft een gele tot geelgroene vleugelrand (handpenranden), samen met zijn gele staartzijde erg opvallend tijdens het vliegen. Het mannetje is overwegend geel-groen, en het vrouwtje is onopvallender bruiner. Het juveniel is op de boven- en onderzijde gestreept.

De Groenling is een zeer talrijke en wijdverspreide broedvogel van bosranden, bosschage, parken, boomgaarden en tuinen. Hij is ook te vinden in dorpen en buitenwijken.
Hij maakt een los nest in bomen en struiken en in een bebouwde omgeving ook vaak in klimplanten tegen een huismuur.
Tussen april en augustus hebben ze 2 tot 3 broedsels en per legsel 4 tot 6 roodgestippelde, witte eieren.

De groenling is een zaadeter, hij eet knoppen, bloesems en bloemen, zaden (zonnebloempitten), rozenbottels en bessen.
Hij roept kort ‘ghuuk’ of ‘ghuup’. Dit is vaak snel herhaald als bijna trillend ‘ghuukghuukghuuk’. Ook maakt hij een meer fluitend, stijgende ‘djuuie’. Zijn zang is een mengsel van kwetterende tonen en een kenmerkend ‘dzwииh’, dit is vaak in een vleermuisachtige zangvlucht. De bedelroep van jongeren is een herhaald ‘djiel djiel djiel’.
 

Karakteristieke kenmerken
Het is de grootste geel-groene vink. Van oorsprong is hij een schuwe vogel, inmiddels heeft hij zich goed aangepast aan het leven in tuinen. Het is dan ook een regelmatige tuingast en is veelal te vinden op voederstations die pinda’s en zonnepitten in de aanbieding hebben. Groenlingen zijn meestal te vinden in groepen, ze nestelen in kleine kolonies van ongeveer 6 paren.
Waar grote troepen groenlingen zich ophouden, zijn de aangeboden zaden in een mum van tijd opgegeten. Ze zijn vrijwel geheel afhankelijk van zaden. Ze eten zelfs restjes op de grond die andere vogels hebben laten vallen. Tijdens het broedseizoen staan er wel eens insecten op het menu.


Vogels lokken – 7. de Vink

Bericht van de Groencommissie (zie ook de pagina VOGELS LOKKEN)

Wie van vogels houdt, ziet ze graag ook in de tuin verschijnen. We lokken ze met voedsel, hangend of staand en op de juiste plek. Het is een leuke uitdaging om je tuin zo uitnodigend mogelijk te maken voor broedende vogels in de tuin.

Je tuin is aantrekkelijker voor vogels als je begroeiing in laagjes hebt. Dat wil zeggen afwisseling van hoge en lage planten en struiken. Ook hogere bomen in de omgeving zijn belangrijk.
Verder helpt het als je eetbaar groen in je tuin hebt staan. Denk aan struiken met bessen of bomen met vruchten.
Vogels zullen ook eerder in je tuin te vinden zijn als ze er nestmateriaal kunnen vinden zoals takjes, pluisjes en blaadjes. Nestjes zullen ze pas maken als er voldoende schuilplekken zijn bijvoorbeeld in doornstruiken of een heg. Wanneer je nestkastjes ophangt let er dan op dat er een rustplek is in de aanvliegroute en hang een nestkast niet in de volle zon.

In deze aflevering aandacht voor de Vink

Hoe zingt de VInk?

De vink heeft twee opvallende witte vleugelstreken. Bij het mannetje zien we een bruinrode onderzijde, een roodbruine wang en een blauwgrijze kop. Het vrouwtje is onopvallend grijsbruin en lijkt enigszins op de vrouwelijke huismus, maar is te onderscheiden door de opvallende witte tekening in de vleugel, de witte staartzijden en de grijsgroene stuit.
De vink is ongeveer even groot als de huismus met zijn 15 cm. Zijn spanwijdte ligt tussen de 25 en 28 cm.

De vink is talrijk en wijd verspreid. Hij broedt in bossen, parken en tuinen en andere plaatsen waar bomen staan.
Hij maakt een kunstig, stevig, napvormig nest hoog in de boom.
De vink broedt in april-juli met 2 broedsels. Per broedsel 4 tot 5 paarsgespikkelde blauwe eieren.
In de zomer eet de vink vooral insecten, en in de winter bijna alleen zaden.